H E T F R I E S C H E P A A R D
In Nederland hebben wij een paardenras dat hier zijn oorsprong heeft. Hoewel in Friesland in 1879 te Roordahuizen het stamboek werd opgericht, wordt het sinds half vorige eeuw ook steeds meer in de rest van Nederland en in het buitenland gefokt.
Het is ons Friese paard dat niet maar een gewoon paard is, zoals al die andere paarden, die we in Nederland rijk zijn.
Het is een zeer bijzonder paard, dat we in ere moeten houden omdat het ons enige, echt Nederlands paardenras is. Al onze andere paarden zijn tot op heden gekruist, verbeterd en veranderd met behulp van vreemd bloed.
In het verleden is dat met het Friese paard ook wel gebeurd. Lang geleden is er bij- voorbeeld Berberbloed via het Andalusische paard in het paard van de lage landen ge- (foto Berbers) bracht, maar in grote lijnen is het Friese paard nog altijd het inlandse . Nederlandse paard van eeuwen geleden. Het inlandse paard, dat zich tot in de vo- rige eeuw heeft kunnen handhaven, doch toen verdrongen werd door Oldenburgers, Oostfriezen, Belgen, Normandiers en Berberpaarden in Gieten. Foto: A.Snoep Hackneys. Info: www.berberpaarden.nlAlleen in Friesland bleef een kleine kern van het oude ras bewaard en daaraan en aan de fokkunde van de Friese boeren hebben we het te danken, dat we thans nog altijd een echt Nederlands paardenras kunnen laten zien.
Misschien vraagt u zich af of dat nu zo belangrijk is. Ja, dat is het inderdaad, want het Friese paard is een stuk Nederlandse cultuurhistorie.
De paardenfokkerij is in de meeste westerse landen ten nauwste met de ontwikkelings- en beschavingsgeschiedenis der betrokken volken verbonden.
Het Friese paard is . zo zou men kunnen zeggen . een waar product van oprechte volkskunst. Het Friese paard is geen natuurproduct, waar de mens geen invloed op heeft uitgeoefend, het is wel degelijk door de Friezen zelf gefokt.
Zoals de Friese boer waardevol rundvee kan fokken, zo heeft hij getoond ook paarden te kunnen fokken. Niet met behulp van ingewikkelde formules of geleerde theorien, maar doodgewoon .op gevoel..
Tussen alle andere thans in Nederland aanwezige paardenrassen is het Friese ras het enige werkelijk inheemse, dat nog geen eeuw geleden zonder hulp van welk buitenlands ras dan ook, doch uitsluitend door teeltkeuze binnen het eigen ras, weer werd opgebouwd.
Aan het begin van de vorige eeuw hebben enkele Friese paardenliefhebbers hun Fries paardenras weer opgebouwd. Bijna uit het niet. Daar is geen buitenlandse hengst of merrie aan te pas gekomen en vermoedelijk zal ook in het voorgeslacht van de dieren waarmee het ras werd opgebouwd zeker in de 19e eeuw geen of vrijwel geen vreemd bloed te vinden zijn.
Ja, dat is altijd nog een krachtpatserij geweest van de Friese fokkers, waar men de grootste bewondering voor moet hebben.
Men spreekt dan wel over.het Gelderse paard. maar eigenlijk heeft men nooit meer een echt Gelders paard teruggefokt. Men heeft door het kruisen met vreemd bloed getracht een paard te verkrijgen, dat .bloed. had, (bloed wil in dit geval zeggen temperament), dat meer adel bezat dan elders in het land bij onze paarden gevonden werd, dat bovendien een fiere hou- ding en hoog verheven gangen had, maar . . . . daarom was het niet het oude Gelderse paard! Hoogstens voldeed het in zijn uiterlijke kenmerken aan het beeld, dat men zich van het aloude Gelderse paard vormde. Gelderse hengstDe Friezen deden dat anders. Zij fokten geen paard, dat op het oude Friese ras leek, maar dat het oude friese ras voor de volle 100% ook was.
In zekere zin is de historie van het Friese paard tevens de historie van de Nederlandse paardenfokkerij. In het begin van de vorige eeuw sprak men nog dikwijls van .inlanders., waarmee dan bedoeld werden, paarden met een weke (holle) rug, een afhangend kruis (is met een laag ingeplante staart) met gebogen hals, weelderige manengroei, waarbij het opviel hoe de haren van manen en staart stuk voor stuk grof en stug waren, doch tevens gekruld. De manen golfden dus, evenals de staarten. De haarkleur was overwegend zwart.
De stalhouderijen en verhuurders van equipages en de particulieren, die er eigen gerij op nahielden, wensten sierlijke paarden, die hoog konden steppen en hun halzen opgeheven droegen en die het lang konden volhouden. Aan die eisen konden de min of meer slappe, zwakke inlanders niet voldoen. Vandaar dat men aan het einde van de 19e eeuw en aan het begin van de vorige eeuw overging tot het invoeren van buitenlandse hengsten. Daar ging men mee kruisen en zo ontstonden toen de nieuwe fokrichtingen zoals het Belgische trekpaard het landbouw tuigpaard en het luxe tuigpaard.
Zo verdween ook geleidelijk aan in het noorden het aloude zwarte inlandse paard, dat men vond in Groningen, Friesland en Drenthe.
In het verleden sprak men wel degelijk van .Friesche paarden. . Maar ook van .Gelderse. .Hollandse. en .Zeeuwse. paarden. Men kan rustig aannemen, dat er weinig verschil in al die paardenrassen langs de Noordzee was en dat men die namen veeleer gaf om aan te duiden uit welke landstreek ze afkomstig waren. Op de oude gravures is tenminste weinig kenmerkend verschil te zien.
Wel mag men aannemen, dat buitenlandse vorsten, wanneer zij beslist .Friese. paarden wilden hebben, ook inderdaad naar Friesland gingen om daar een keuze te doen. Dat gebeurde bijvoorbeeld in de 17e eeuw veel ten behoeve van Duitse vorsten.
Daarna was het met de roem van het Friese paard gedaan. Niet omdat het plotseling slechter zou zijn geworden, maar wel omdat de mode anders was geworden. De mode speelde dikwijls een grote rol. Zo kwamen ook de Spaanse paarden in tel. De beroemde voormalige hoge rijschool in Wenen heeft aan de aldaar gebruikte paarden nog altijd haar naam .Spaanse rijschool.te danken.
In de 19e eeuw stond het er met onze paardenfokkerij over het algemeen gesproken eerder slecht dan goed voor. De kwaliteit ging zienderogen achteruit en dat was met Friese paardenras eveneens het geval.
De fokkers konden trouwnes domme dingen doen, zoals hun beste merries verkopen en door blijven fokken met de overgebleven slechtere exemplaren. Ook lieten zij hun drachtige merries hard werken zonder ze voldoende te voeren.
Na de paardententoonstelling in Amsterdam in het jaar 1884 beraamde men zich welke maatregelen er genomen zouden moeten worden ter verbetering van onze paardenstapel.
De Friezen komt de eer toe het eerst het belang van een stamboekwezen te hebben ingezien Zo werd in 1879 te Roordahuizen in cafe .De drie Romers. het Friese paardenstamboek opgericht.
De tijd werkte echter niet mee: De buitenlandse rassen kwamen in de mode. Steeds meer kwamen de aloude Friezen in de verdrukking. Het aantal Friese hengsten was in 1908 geslonken tot 10. Maar nog was het dieptepunt niet bereikt. In 1910 waren er nog maar 4 hengsten over, die in totaal nog 426 merries dekten. In 1913 viel er weer 1 hengst af; hun aantal was nu dus niet groter dan 3!Maar toen was dan ook de nood .t hoogst . volgens het spreekwoord . de redding nabij. In de vorm van de oprichting van de vereniging .Het Friese Paard., die ten doel kreeg vooral goede hengstveulens op te fokken.. En inderdaad is dit de redding van het Friese paardenras geweest. Het ras, dat op het punt stond uit te sterven.
De drie hengsten die overbleven waren: Prins 109 P, geboren in 1899 Alva 113 P, geboren in 1899 Friso 117 P, geboren in 1902. Van deze drie hengsten stamt dus onze tegenwoordig Fries paardenbestand af.Dat er nu weer zoveel Friese paarden zijn, kon niet anders dan door mmiddel van inteelt! De Friese fokkers waren daarvoor blijkbaar niet bang. Wilden zij geen vreemde hengsten gebruiken, bleef hun ook niets anders over. De zekerste weg was echter teeltkeuze binnen het ras. Men wist dan wat men had en vrij zeker dus ook wat men zou krijgen. Welnu, men heeft gelijk gekregen en de gevaren, die aan inteelt inderdaad altijd verbonden zijn hebben maar verspreid optredend doen gelden, b.v. wanneer men eens onaangenaam verrast werd met een dwergveulen. Zulke gevallen waren in zo.n kleine fokkerij vlug genoeg bekend en later had men er dan ook geen last meer van.
Behalve dat de Friese fokkers hun oude ras in veel groter aantal hebben doen herboren worden dan het uitgaansmateriaal in 1913 sterk was, hebben zij tevens . ook alweer uitsluitend door selectie binnen het ras .de kwaliteit van het Friese paard verbeterd. De zwarte kleur zonder aftekeningen is hun haarkleur geworden. Hun manen, staart en vetlokken (dit is het haar onder aan de benen) zijn nog steeds weelderig en golvend. De houding van hoofd en hals is nog als op de oude schilderijen uit de Gouden Eeuw. Ook de steppende gang laten zij nog steeds zien.
En zo beschikken we nu nog altijd over een prachtig stuk Nederlandse cultuur.
Het Friese paard komt het best tot zijn recht, wanneer het is aangespannen voor een Friese sjees. De meestal bijzonder kostbare sjezen passen volkomen bij de zwarte paarden. De witte koordleidsels en soms ook de witte henneptuigen steken fel af tegen de glanzende zwarte paardenhuid .De Friese sjees wordt in onze tijd weer geregeld gebruikt. Bij folkloristische ringrijden en bij de uitvoeringen van de befaamde Friese Quadrille (een caroussel met acht aanspanningen) wordt eveneens uitsluitend van Friese sjezen gebruik gemaakt.
Nationaal Rijtuigmuseum, Leek Het Friese paard beleeft nu al sinds jaren een bloeiperiode als misschien wel nooit tevoren in zijn eeuwenlange, veelbewogen geschiedenis het geval is geweest. Nog altijd is de provincie Friesland het middelpunt van de fokkerij, maar daarnaast worden er tegenwoordig door heel Nederland en daarbuiten met groot enthousiasme heel veel Friese paarden gehouden en gefokt.
Sinds 1981 staan er Friese paarden in de Koninklijke Stallen in Den Haag. In datzelfde jaar liepen er voor het eerst Friezen mee in de stoet op prinsjesdag. Koningin Beatrix is ook niet voor niets beschermvrouwe van de Koninklijke vereniging het Fries Paardenstamboek. De eerste twee Friese paarden werden door het stamboek, de koningin aangeboden.
Aan het begin van ieder jaar organiseert het stamboek een hengstenkeuring om de hengsten aan te wijzen die dat jaar de merries mogen dekken.
De naam van de veulens die geboren worden moeten ieder jaar met een andere letter beginnen. In 2007 was dat een W, X, IJ of Z. Zo kan men na jaren alleen al aan de naam van het paard weten hoe oud hij of zij is.
Doordat het Friese paard zo rustig is en daardoor zo gemakkelijk in het gebruik, wordt het de laatste jaren ook recreatief en in de dressuur gebruikt.
Als u nu nog eens ergens in het bos aan het wandelen bent en u komt een zwart paard tegen met lange manen en een lange staart, dan weet u nu wat voor paard het is.